Maandelijks archief: januari 2012

Bij de crematie van een professor

***

Nu zijn leven is voltooid
wordt de prof alsnog verstrooid.

***

Grafschrift van oom Dirk, opticiën

***

Brillen verkocht oom Dirk per tien

maar nu kan hij ze niet meer zien.

***

Grafschrift van een sloper

***

Elk gebouw kon hij ontwrichten

maar deze steen kan hij niet lichten.

***

Clerihew Beatrix

  • Koningin Beatrix
  • deed een  lap om haar hoed, het was niet niks.
  • Een blonde meneer zei er wat van
  • waarop zij antwoordde: ‘Doe ’s normaal man!’

(Een Clerihew, spreek uit Clairy you, is een vierregelig knittelvers. Onregelmatige zinslengte, geen metrum, rijmschema aabb. Light verse.)

Het geheim van rijm

Wat is rijm?

Rijm is herhaling van klanken.

Regelmatige herhaling is ritme.

Rijm is dus een vorm van ritme.

Rijm stelt gerust. Als je rijm hebt opgebouwd, kun je het doorbreken. Waarom zou je dat doen?

Laten we eens kijken naar een bekend kinderrijmpje:

olleke

bolleke

rubi

solleke

olleke

bolleke

knol!

Voor wie het niet kent: de deelnemers bouwen een toren van hun vuisten. Bij ieder nieuw ‘woord’ komt er een nieuwe vuist bovenop de toren. Degene die aan de beurt is om ‘knol’ te zeggen, laat met een klap de toren instorten.  Peuters vinden dit een spannend spelletje.

Wat valt op in dt rijmpje? Het woord ‘rubi’. Het rijmt niet met de rest en het heeft ook een ander metrum: niet sterk-zwak-zwak  (ol-le-ke) maar sterk-zwak (ru-bi). De klanken zijn heel anders dan in de rest van het versje. Wat zou er gebeuren als we ‘rubi’ vervangen door een woord dat netjes rijmt met de rest? Laten we eens kijken.

olleke

bolleke

dolleke

solleke

olleke

bolleke

knol!

Het rijmpje is nu minder spannend geworden. Dat woordje ‘rubi’ laat het kind vermoeden dat er iets aan de hand is met de regelmaat. Maar voorlopig gaat het bouwen van de toren nog door. Het rijmpje wordt nog een keer herhaald: olleke, bolleke … en dan, op de plaats waar de vorige keer ‘rubi’ kwam, daar komt nu: ‘knol!’ en dan stort de toren in.

Rijm kun je dus gebruiken om spanning op te bouwen.

Herinnering aan Holland (parodie)

Denkend aan Holland

zie ik stromen papieren

traag door oneindig veel

handen gaan

rijen onnodig

lange formulieren

in grote kantoren

op het beeldscherm staan

en in de beperkte

ruimte verzonken

de platen asfalt

verspreid door het land

omleiding, afslag,

versperde wegen

borden en lichten

tussen hopen zand.

De lucht hangt er laag

en de zon wordt er langzaam

in damp van benzine

en diesel gesmoord

en in alle gewesten

wordt de klacht om de euro

en ‘t failliet van de banken

geregeld gehoord.

*
*

Plaatje: plaatjes

*
En verder natuurlijk met dank aan Hendrik Marsman.

Grappige sonnetten

Via Google komen hier regelmatig mensen terecht die op zoek zijn naar ‘grappige sonnetten’.

Hier zijn er een paar:

Alweer: de Joden en de pest

Er was een feit waar iedereen het over eens was tijdens de pestepidemie van 1348 in Straatsburg: de Joden hadden veel minder last van de ziekte dan de niet-Joden. Hoe kwam dat? Daarover was verschil van mening.

De Joodse arts Balavignus had de bewoners van het getto aangemoedigd om de hele wijk schoon te maken en het afval te verbranden. De pest wordt overgebracht door vlooien van ratten. Als je het afval verbrandt zul je minder ratten hebben en dus ook minder pest. Maar dat was toen nog niet bekend.

De niet-Joden hadden de Joden kunnen vragen hoe het kwam dat zij minder minder zieken hadden. Dan zouden ze gehoord hebben over de schoonmaak van de wijk. Dat hadden ze dan ook kunnen proberen. Vele mensenlevens hadden op die manier gespaard kunnen worden.

In plaats daarvan beschuldigden ze Balavignus ervan dat hij de openbare waterbronnen vergiftigd zou hebben.  Onder marteling bekende hij. Vervolgens braken in heel Europa pogroms uit: Joodse gemeenschappen werden verjaagd of uitgeroeid.

Wat mij fascineert in dit verhaal, is dat de niet-Joden handelden op een manier die in strijd was met hun eigen belang. Ze gingen nog liever massaal dood dan iets aan te nemen van een Jood.

Natuurlijk is het makkelijk om er een etiketje op te plakken: zondebokdenken. De niet-Joden  veronderstelde kwaadwil bij de Joden – maar de Joden waren niet kwaadwillend. De niet-Joden waren kwaadwillend, jegens de Joden. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.

Als iets een naam heeft, is het daarmee nog niet verklaard. Laat staan opgelost.

Waarom doen mensen zo?  Zijn er mogelijkheden om deze geneigdheid te beperken? Hadden de Joden iets kunnen doen om dit debacle te voorkomen? Zo ja, wat dan?

Wie het weet, mag het zeggen …

De laatste oliebol

Er is een tijd geweest dat ik op Oudejaarsdag de hele middag in de keuken stond om oliebollen te bakken en dan waren ze halverwege Nieuwjaarsdag allemaal op.

Die tijd is voorbij. Nadat de kinderen het huis uit waren heb ik nog wel eens een enkele bol gebakken, maar daar was de aardigheid  gauw af en toen ben ik er maar mee gestopt. Nu koop ik er soms eentje, dat is alles.

Dit jaar ging het anders. Op de middag van Oudejaarsdag was ik bij Albert Heijn om nog even een pak  melk te halen. Winkelpersoneel was al druk bezig met het onttakelen van de kerstversiering. En de oliebollen waren al in de uitverkoop: 8 gevulde bollen voor €1,39. Nou ja, daar kon ik ze niet voor laten liggen, zeg nou zelf.

Dus ik had oliebollen met Oudjaar. Best veel toch 8 oliebollen voor een mens alleen.

Van mijn oma, die zich de crisis van de jaren ’30 herinnerde, heb ik geleerd dat je feestgebak het best kunt kopen ná het feest, want dan is het  goedkoop. Bij haar kreeg je kerstbrood met Nieuwjaar, en paasbrood na Pasen.

Ik heb mijn 8 oliebollen verdeeld over 4 dagen.  Dat is iedere dag 2, in plaats van brood.

Vandaag, 3 januari, heb ik de laatste opgegeten.

Laat nu het nieuwe jaar maar komen.

Nogmaals: de Joden en de pest

Er waren eens drie artsen.  Ieder van de drie vond een manier om een gevaarlijke besmettelijke ziekte te stoppen.  Wat bracht het ze op?  Wat bracht het de maatschappij op?

De eerste arts heette Balavignus. Hij woonde en werkte in Straatsburg toen daar in 1348 een pestepidemie uitbrak. Aan deze epidemie, die de geschiedenis ingegaan is als de ‘Zwarte Dood’, stierf ongeveer een kwart van de bevolking. De Joodse arts Balavignus vond een manier om de epidemie een halt toe te roepen.

Hij riep de bewoners van de Joodse wijk op om de hele wijk grondig schoon te maken. Al het afval moest verbrand worden. Dat hielp: de Joden van Straatsburg hadden maar heel weinig last van de pest.

Het viel de niet-Joden in Straatsburg op. Je zou denken: het stadsbestuur kwam met hem praten. Ze vroegen naar de methode. Ze probeerden hetzelfde in andere wijken en ja hoor: daar werkte het ook. Straatsburg bleef  grotendeels gespaard voor de Zwarte Dood. Balavignus kreeg een standbeeld. Overal in Europa vind je nu Balavignusstraten, -pleinen en -ziekenhuizen.

Nee, zo ging het niet. Balavignus werd beschuldigd van het veroorzaken van de pest. Hij zou de openbare waterbronnen vergiftigd hebben. Weliswaar wordt de pest niet overgebracht via water, maar dat wist men toen nog niet. De pest wordt overgebracht door vlooien van de zwarte rat. Als je in een wijk al het afval opruimt en verbrandt, zul je weinig ratten hebben en dus ook weinig pest.

Balavignus kwam op de pijnbank terecht, waar hij onder marteling bekende. Daarmee was het bewijs geleverd: het waren de Joden die de pest veroorzaakten.

Balavignus werd ter dood gebracht, maar dat was niet alles. Overal in Europa braken pogroms uit. Hele Joodse gemeenschappen zijn verjaagd of uitgeroeid. En dat ging daarna nog eeuwen door, telkens als de gevreesde ziekte uitbrak.

Balavignus had gelijk.  Maar zijn gelijk hielp hem niet. En ook de andere Joden niet.

De tweede arts heette Semmelweis. Rond 1850 werkte hij in een ziekenhuis waar – zoals in de meeste ziekenhuizen in die tijd – veel vrouwen stierven aan kraamvrouwenkoorts. Semmelweis ontdekte dat de ziekte ongewild werd overgebracht door artsen. Nadat hij de artsen verplicht had om hun handen te wassen met bleekwater, daalde het aantal sterftegevallen tot minder dan 1%.

Semmelweis heeft tijdens zijn leven weinig erkenning gekregen. Dit veranderde toen rond 1890 Louis Pasteur de bacterie ontdekte.  Hij kreeg alsnog de eer die hem toekwam. Je kunt makkelijk straten of ziekenhuizen vinden die naar hem genoemd zijn.

De derde arts heette John Snow. Hij leefde in dezelfde tijd als Semmelweis. Hij ontdekte dat cholera verspreid wordt via besmet drinkwater, in plaats van via de lucht, zoals eerder gedacht werd. Snow had geen probleem om zijn stadgenoten te overtuigen. Er bestaan monumenten voor John Snow en er zijn ook delen van universiteiten naar hem genoemd.

Er is een vraag waar ik mee rondloop. Snow kreeg meteen erkenning, Semmelweis na zijn dood. Maar Balavignus helemaal nooit. Waarom niet? Zijn ontdekking was net zo goed als die van Semmelweis of Snow. Miljoenen mensenlevens hadden gespaard kunnen worden door zijn aanwijzingen op te volgen. Waarom gebeurde dat niet?

Gelijk hebben is heel wat anders dan gelijk krijgen, dat is een ervaringsfeit. Maar begrijpen doe ik het niet.