Maandelijks archief: januari 2012

Alweer: de Joden en de pest

Er was een feit waar iedereen het over eens was tijdens de pestepidemie van 1348 in Straatsburg: de Joden hadden veel minder last van de ziekte dan de niet-Joden. Hoe kwam dat? Daarover was verschil van mening.

De Joodse arts Balavignus had de bewoners van het getto aangemoedigd om de hele wijk schoon te maken en het afval te verbranden. De pest wordt overgebracht door vlooien van ratten. Als je het afval verbrandt zul je minder ratten hebben en dus ook minder pest. Maar dat was toen nog niet bekend.

De niet-Joden hadden de Joden kunnen vragen hoe het kwam dat zij minder minder zieken hadden. Dan zouden ze gehoord hebben over de schoonmaak van de wijk. Dat hadden ze dan ook kunnen proberen. Vele mensenlevens hadden op die manier gespaard kunnen worden.

In plaats daarvan beschuldigden ze Balavignus ervan dat hij de openbare waterbronnen vergiftigd zou hebben.  Onder marteling bekende hij. Vervolgens braken in heel Europa pogroms uit: Joodse gemeenschappen werden verjaagd of uitgeroeid.

Wat mij fascineert in dit verhaal, is dat de niet-Joden handelden op een manier die in strijd was met hun eigen belang. Ze gingen nog liever massaal dood dan iets aan te nemen van een Jood.

Natuurlijk is het makkelijk om er een etiketje op te plakken: zondebokdenken. De niet-Joden  veronderstelde kwaadwil bij de Joden – maar de Joden waren niet kwaadwillend. De niet-Joden waren kwaadwillend, jegens de Joden. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.

Als iets een naam heeft, is het daarmee nog niet verklaard. Laat staan opgelost.

Waarom doen mensen zo?  Zijn er mogelijkheden om deze geneigdheid te beperken? Hadden de Joden iets kunnen doen om dit debacle te voorkomen? Zo ja, wat dan?

Wie het weet, mag het zeggen …

Advertenties

De laatste oliebol

Er is een tijd geweest dat ik op Oudejaarsdag de hele middag in de keuken stond om oliebollen te bakken en dan waren ze halverwege Nieuwjaarsdag allemaal op.

Die tijd is voorbij. Nadat de kinderen het huis uit waren heb ik nog wel eens een enkele bol gebakken, maar daar was de aardigheid  gauw af en toen ben ik er maar mee gestopt. Nu koop ik er soms eentje, dat is alles.

Dit jaar ging het anders. Op de middag van Oudejaarsdag was ik bij Albert Heijn om nog even een pak  melk te halen. Winkelpersoneel was al druk bezig met het onttakelen van de kerstversiering. En de oliebollen waren al in de uitverkoop: 8 gevulde bollen voor €1,39. Nou ja, daar kon ik ze niet voor laten liggen, zeg nou zelf.

Dus ik had oliebollen met Oudjaar. Best veel toch 8 oliebollen voor een mens alleen.

Van mijn oma, die zich de crisis van de jaren ’30 herinnerde, heb ik geleerd dat je feestgebak het best kunt kopen ná het feest, want dan is het  goedkoop. Bij haar kreeg je kerstbrood met Nieuwjaar, en paasbrood na Pasen.

Ik heb mijn 8 oliebollen verdeeld over 4 dagen.  Dat is iedere dag 2, in plaats van brood.

Vandaag, 3 januari, heb ik de laatste opgegeten.

Laat nu het nieuwe jaar maar komen.

Nogmaals: de Joden en de pest

Er waren eens drie artsen.  Ieder van de drie vond een manier om een gevaarlijke besmettelijke ziekte te stoppen.  Wat bracht het ze op?  Wat bracht het de maatschappij op?

De eerste arts heette Balavignus. Hij woonde en werkte in Straatsburg toen daar in 1348 een pestepidemie uitbrak. Aan deze epidemie, die de geschiedenis ingegaan is als de ‘Zwarte Dood’, stierf ongeveer een kwart van de bevolking. De Joodse arts Balavignus vond een manier om de epidemie een halt toe te roepen.

Hij riep de bewoners van de Joodse wijk op om de hele wijk grondig schoon te maken. Al het afval moest verbrand worden. Dat hielp: de Joden van Straatsburg hadden maar heel weinig last van de pest.

Het viel de niet-Joden in Straatsburg op. Je zou denken: het stadsbestuur kwam met hem praten. Ze vroegen naar de methode. Ze probeerden hetzelfde in andere wijken en ja hoor: daar werkte het ook. Straatsburg bleef  grotendeels gespaard voor de Zwarte Dood. Balavignus kreeg een standbeeld. Overal in Europa vind je nu Balavignusstraten, -pleinen en -ziekenhuizen.

Nee, zo ging het niet. Balavignus werd beschuldigd van het veroorzaken van de pest. Hij zou de openbare waterbronnen vergiftigd hebben. Weliswaar wordt de pest niet overgebracht via water, maar dat wist men toen nog niet. De pest wordt overgebracht door vlooien van de zwarte rat. Als je in een wijk al het afval opruimt en verbrandt, zul je weinig ratten hebben en dus ook weinig pest.

Balavignus kwam op de pijnbank terecht, waar hij onder marteling bekende. Daarmee was het bewijs geleverd: het waren de Joden die de pest veroorzaakten.

Balavignus werd ter dood gebracht, maar dat was niet alles. Overal in Europa braken pogroms uit. Hele Joodse gemeenschappen zijn verjaagd of uitgeroeid. En dat ging daarna nog eeuwen door, telkens als de gevreesde ziekte uitbrak.

Balavignus had gelijk.  Maar zijn gelijk hielp hem niet. En ook de andere Joden niet.

De tweede arts heette Semmelweis. Rond 1850 werkte hij in een ziekenhuis waar – zoals in de meeste ziekenhuizen in die tijd – veel vrouwen stierven aan kraamvrouwenkoorts. Semmelweis ontdekte dat de ziekte ongewild werd overgebracht door artsen. Nadat hij de artsen verplicht had om hun handen te wassen met bleekwater, daalde het aantal sterftegevallen tot minder dan 1%.

Semmelweis heeft tijdens zijn leven weinig erkenning gekregen. Dit veranderde toen rond 1890 Louis Pasteur de bacterie ontdekte.  Hij kreeg alsnog de eer die hem toekwam. Je kunt makkelijk straten of ziekenhuizen vinden die naar hem genoemd zijn.

De derde arts heette John Snow. Hij leefde in dezelfde tijd als Semmelweis. Hij ontdekte dat cholera verspreid wordt via besmet drinkwater, in plaats van via de lucht, zoals eerder gedacht werd. Snow had geen probleem om zijn stadgenoten te overtuigen. Er bestaan monumenten voor John Snow en er zijn ook delen van universiteiten naar hem genoemd.

Er is een vraag waar ik mee rondloop. Snow kreeg meteen erkenning, Semmelweis na zijn dood. Maar Balavignus helemaal nooit. Waarom niet? Zijn ontdekking was net zo goed als die van Semmelweis of Snow. Miljoenen mensenlevens hadden gespaard kunnen worden door zijn aanwijzingen op te volgen. Waarom gebeurde dat niet?

Gelijk hebben is heel wat anders dan gelijk krijgen, dat is een ervaringsfeit. Maar begrijpen doe ik het niet.

Japanse mandoline (groentesnijder)

Na speuren en shoppen in allerlei kookwinkels is dit hem geworden: de kleine Benriner met opvangbak, uit Japan.

Hij is van plastic. Het schuine mes zit vast. De plaat waarover je de groente naar het mes voert, kun je met een stelschroef op de juiste hoogte brengen.  De plakjes of reepjes worden dan  precies zo dik of dun als je ze hebben wilt. Tussen het mes en de aanschuifplank kun je een soort kammetje monteren, met tanden van rechtopstaande mesjes. Je schuift de groente tussen de tanden door over het mes en voilà: reepjes.  Er zijn drie kammetjes, in drie verschillende breedtes. Bij de fijnste zitten er ongeveer zes tanden op een centimeter. In de opvangbak zitten ook nog twee raspen, een grove en een fijne. Die zijn bijvoorbeeld geschikt voor gember en voor knoflook.

De Börner staat nog op de aanrecht. Wat lijkt hij oud nu. En groot. Ik vraag me af of ik hem nog ga gebruiken. Er zijn toch echt dingen waar hij heel goed in was …

Maar ik voorzie dat zijn laatste reis voor de deur staat. Ouwe  Börner V3, hoeveel kilo’s groente en fruit zullen wij samen geschaafd en gesneden hebben? Vele emmers vol. Ik zal me weemoedig voelen als ik je wegdoe.

En toch blij met mijn nieuwe kleine Japanner.

Mandoline (groentesnijder) kopen

Mijn eerste mandoline was een Börner V3. Hij had een V-vormig mes en je kon er drie verschillende platen insteken: voor smalle reepjes (julienne, 3,5 mm.), brede reepjes (7 mm.) en plakjes. De plakjesplaat kon je omkeren zodat je twee diktes had.

Hoewel het in het begin even wennen was, gebruikte ik het toestel al snel iedere dag. Soms wilde ik gauw even wat plakjes snijden boven een pan. Dat ging prima, tot ik het op een dag boven een hete pan probeerde. Toen had ik een nieuwe mandoline nodig.

Dat was mijn tweede, precies hetzelfde als de eerste. Ik kocht hem, net als de eerste, in de zomer op een markt van een standwerker.  Mijn toestel begint nu, na vele trouwe jaren van zware dienst, oud en gammel te worden. Ik zocht de markt op.

Maar ik kon de standwerker met de groentesnijders niet vinden. Was het toeval, of is hij er niet meer?

Dus ik ben elders op zoek gegaan, in winkels en op het internet. De Börner schijnt vernieuwd te zijn en de nieuwe versie ziet er nog beter uit dan de oude.  Maar waar kan ik hem kopen? Bij Amazon. Daar heb ik nou niet niet veel zin in. Ik wil hem graag bij een winkel halen, of op een markt.

Winkels in dan maar.  En het is gelukt. Maar voordat ik ga vertellen over mijn nieuwe aanwinst, wil ik eerst nog even, voor wie het weten wil, vertellen wat de voor- en  nadelen zijn van de Börner.

De voordelen:

– V-vormig mes. Dit snijdt licht en gelijkmatig.

– Niet te duur. Ik betaalde €25, dat zal nu wel meer zijn, maar het loopt niet uit de hand.

– Gaat vele jaren mee, als je hem niet mishandelt.

– Makkelijk schoon te houden en op te bergen.

– Blijft goed scherp.

En nu de nadelen:

– De fijne julienne is voor veel doeleinden geschikt, maar erg fijn is hij niet.

– De grove juliennerasp gebruik ik zelden of nooit. Ik vind dat het snijden zwaar gaat. De groente loopt herhaaldelijk vast.

– Maar twee diktes van plakken mogelijk.

– Het witte plastic neemt de kleur van de groenten aan, waardoor het toestel er vies uitziet terwijl het schoon is.

– Je moet hem echt niet op een hete pan zetten, ook niet één keertje maar …

Bij de nieuwe V5 zijn enkele van deze nadelen opgelost.

Meer over mandolines in een volgende post.